Na veel zagen krijgt Jommeke van zijn vader eindelijk een blokfluit. Maar al snel jaagt hij zijn ouders én de buren op stang met zijn valse gefluit. Teofiel wordt er zelfs zo gek van dat hij even in een instelling belandt. Gelukkig leert Jommeke uiteindelijk toch mooi spelen. Filiberke neemt Jommeke mee naar een hut in het bos, waar een arme, zieke jongen woont: Gustafke. Filiberke brengt hem eten en Jommeke speelt vrolijke liedjes om hem op te beuren. Maar tijdens het dansen breekt Filiberke zijn been. Teofiel stelt voor om Filiberke en Gustafke mee te sturen op bedevaart naar Lourdes, samen met een trein vol zieke kinderen. Ook de Miekes, Jommeke en Flip gaan mee. Onderweg moet de trein plots stoppen: een koe staat op de sporen. Jommeke lokt haar weg met zijn fluitspel, maar de trein vertrekt zonder hem en Flip. Ze kruipen dan maar in een trein die uit de andere richting komt. Tot hun verbazing springt ook de koe — Bella — mee aan boord. De trein brengt hen echter niet naar huis, maar naar Zwitserland. Daar beleven Jommeke, Flip en Bella allerlei avonturen. Flip wordt zelfs gearresteerd voor openbare dronkenschap. Bella blijkt verrassend muzikaal: ze speelt beiaard op de koeienbellen in de alpenweiden. Jommeke ontmoet een groep Vlaamse kinderen die op vakantie zijn in Zwitserland en reist met hen terug naar huis. Daar vindt hij de genezen Filiberke en Gustafke terug. En de muzikale Bella? Die wordt netjes teruggebracht naar haar eigenaar, boer Snor.