Wanneer Jommeke en Flip gaan vissen, drijft er plots een mandje voorbij. In het mandje ligt een baby, samen met een brief waarin de moeder de vinder vraagt goed voor haar kindje — Polleke — te zorgen, omdat ze zelf niet lang meer te leven heeft. Jommeke vreest dat zijn ouders het kind niet in huis zullen willen en besluit Polleke te verstoppen. Annemieke en Rozemieke springen meteen bij als moeders, en ook Filiberke helpt mee. In de tuin bouwen ze een houten huisje dat ze het Hemelhuis noemen. Daar willen ze Polleke verstoppen en hem een echte hemel op aarde geven. Teofiel dreigt meer dan eens Polleke te ontdekken, maar telkens slagen de kinderen erin het geheim te bewaren. Wanneer Polleke ziek wordt, roepen ze professor Gobelijn erbij. Op een dag vindt Marie het briefje uit het mandje. Zo komen zij en Teofiel eindelijk te weten dat er een baby in het spel is. Tot Jommekes opluchting steunen ze de kinderen meteen in hun zorg voor Polleke. Tijdens een wandeling keren Jommeke en zijn vrienden terug naar de plek waar ze Polleke vonden. Tot hun verbazing ontmoeten ze daar de moeder van het kindje, die op wonderbaarlijke wijze genezen is. De kinderen herenigen moeder en kind, en bij het Hemelhuis wordt een groot feest gehouden om de goede afloop te vieren