Jommeke, Flip, Filiberke en Pekkie zijn aan het kamperen in het bos. Na enkele uren slaan ze hun tent op bij een oud kasteel. Maar die nacht barst er een zware storm los: hun tent én hun kleren waaien weg. Ze besluiten onderdak te zoeken in het kasteel. Het kasteel blijkt bewoond door gravin Elodie van Stiepelteen, haar gigantische hond Fifi en haar butler Eustache. De gravin is blij met wat gezelschap en laat hen graag blijven, al ziet Eustache de komst van de kinderen helemaal niet zitten. Tijdens hun verblijf zetten Fifi en Pekkie het kasteel voortdurend op stelten, want Fifi jaagt de bange Pekkie onophoudelijk achterna. De gravin toont hen onder meer een oude waterput op de binnenkoer met het opschrift 'Diep i de put'. Volgens haar ontbreekt er gewoon een ‘s’. Wanneer de gravin op haar hond gaat paardrijden, ontdekken Jommeke en Filiberke in de bibliotheek dat er een pagina ontbreekt in een oud familieboek. Ze beginnen Eustache steeds verdachter te vinden. ’s Nachts betrapt Flip hem terwijl hij in de kelders een onderaardse gang graaft. In zijn kamer vinden Jommeke en Filiberke de verdwenen pagina terug: daarin staat dat de schat van de eerste graaf van Stiepelteen verborgen ligt ... diep in de put. Jommeke en zijn vrienden besluiten Eustache te ontmaskeren zodra hij de schat vindt. Ze sluiten hem op in de kelder, zodat hij enkel via de waterput kan ontsnappen. Daar wachten ze samen met de gravin op hem. Wanneer hij uit de put klimt, schrikt de gravin zo hard dat Eustache terugvalt. Zijn pruik en snor vliegen af — en zo blijkt dat de butler niemand minder is dan Anatool. Hij weet toch te ontsnappen, maar de schat blijft behouden en wordt aan de gravin teruggegeven. Na het afscheid besluit Flip bij de gravin te blijven wonen: hij is verliefd op haar en droomt ervan graaf te worden.