Filiberke is jarig, maar Jommeke heeft geen geld voor een cadeau. Tijdens een wandeling ziet hij in een vuilnisbak een kapotte miniatuur van een zeeroversschip. Hij vist het eruit, knapt het wat op en geeft het aan Filiberke. Die is dolblij. Wanneer ze het bootje onderzoeken, ontdekken ze coördinaten op het dek. Jommeke vermoedt dat er op die plek een schat verborgen ligt. De locatie blijkt ergens in de heide tussen Antwerpen en Nederland te liggen. Professor Gobelijn geeft Jommeke een nieuwe uitvinding waarmee hij metalen in de grond kan opsporen. Met dat toestel vinden ze al snel de juiste plek: een ingegraven ton vol goud en juwelen. In de ton zit ook een testament van de zeerover Mathias Houtepoot, die de vinder opdraagt de schat te gebruiken voor goede doelen. Maar net dan worden Jommeke en Filiberke betrapt door Loebas, een stroper. Hij steelt de schat en graaft de jongens in. De vrienden weten te ontsnappen en zetten de achtervolging in. Pas met de hulp van een veldwachter kunnen ze Loebas inrekenen en de schat terugkrijgen. Jommeke en Filiberke houden elk een halssnoer voor hun moeders. De rest van de schat gaat — zoals Houtepoot het wilde — naar goede doelen. De twee vrienden gaan op zee een bloemenkrans uitgooien, als eerbetoon aan de oude zeerover.