De dochter van een staalmagnaat is na een vliegtuigcrash samen met de piloot verdwenen in het Afrikaanse oerwoud. Haar vader looft een grote beloning uit voor wie haar kan redden. Professor Gobelijn, Jommeke, Flip en Filiberke vertrekken met de vliegende bol richting Afrika. Ze vinden het wrak van het vliegtuig, maar worden even later gevangen genomen door een groep inboorlingen. Dankzij Flip slagen ze erin hun boeien los te maken. Wanneer Jommeke een kind redt van een slang, verandert alles: het stamhoofd wordt plots vriendelijk en vertelt dat de vermisten worden vastgehouden door een bende blanke uitbuiters op een plantage. Een gids leidt hen naar de Njam‑njamplantage. Op de plantage ontdekt Jommeke dat heel wat lokale bewoners gevangengehouden worden. Met behulp van slaappillen schakelen ze de boeven uit. Ze bevrijden de piloot, de dochter van de magnaat én de ontdekker van de Njam‑njambloem. De redders krijgen een beloning, maar Jommeke en zijn vrienden investeren die meteen in het dorp: er wordt een mooie, veilige Njam‑njamplantage gebouwd waar de lokale bevolking zelf kan werken en leven.