Jommeke krijgt een brief uit Egypte. Professor Gobelijn zorgt voor de vertaling. Bij de brief zit ook een zaadje. Het zaadje moet geplant worden wanneer de toestand in de wereld wanhopig is geworden. Wanneer er een plant gegroeid is, moet een aftreksel van de bladeren aan de staatshoofden toegediend worden. Zij zouden dan vredelievend worden. Het zaadje moet wel kiemen met water uit de bron van de oase El Razar. Wanneer Jommeke alles aan Filiberke vertelt, luistert een onguur figuur mee. Jommeke en Filiberke vertrekken richting Libische woestijn, evenals het ongure figuur. De oase is voor een deel onder het zand bedolven. Na wat graafwerk geraken ze bij de bron. Het ongure figuur is razend wanneer hij merkt dat het alleen om water gaat. Na nog wat moeilijkheden kan uiteindelijk het zaadje ontkiemen. De professor maakt een aftreksel. In New York kunnen Jommeke en Gobelijn het aftreksel mengen in de wijn van de wereldleiders. Er wordt gezorgd voor een betere wereld. Op de struik staat één bloempje en er vormt zich één nieuw zaadje.