Filiberke vindt een grote kever in de tuin. Samen met Jommeke gaat hij naar professor Gobelijn. De professor is echter niet thuis, maar uit een ontvanger klinkt een noodoproep. Jommeke, zijn vader en Filiberke vertrekken naar het noorden van Groenland. Eenmaal aan land wacht hen nog een gevaarlijke en lange tocht. Wanneer ze na een storm alles kwijtgeraakt zijn, worden ze op het nippertje gered door Eskimo’s. Wat later zetten ze hun tocht verder. Na een tijdje vinden ze een tropisch woud midden in de ijsvlakte. Gobelijn heeft hier een zonnemachine geplaatst en de natuur naar zijn hand gezet. Wanneer Filiberke op een knop drukt, ontploft de machine en moeten ze in allerijl vluchten met de vliegende bol. Teofiel raakt daarbij wel half bevroren.