Jommeke bouwt een autoped om tot een gemotoriseerde versie en vertrekt richting zee. Eens daar aangekomen en hij rustig pootje baadt, vindt hij een fles met een boodschap. Het is een noodkreet van de Kwibussen, die op het eiland Rakwiba wonen. Hij roept de hulp in van Jan Haring. Deze stuurt hem naar een oude scheepsmaat, Cornelius Mastmans, om informatie te krijgen over het onbekende eiland. Cornelius blijkt een identiek document te hebben — maar dan 150 jaar oud. Zijn overgrootvader was ooit op zoek gegaan naar Rakwiba, maar repte bij zijn terugkeer met geen woord over zijn avontuur. Jommeke besluit samen met Jan Haring op avontuur te trekken. Ondertussen is Filiberke onderweg naar Jommeke, maar hij mist hem. Met een vlot gaat hij zijn vrienden achterna. Jommeke komt enige tijd later aan op Rakwiba en wordt er al snel, samen met Flip, gevangen genomen. In de middeleeuws aandoende omgeving wordt Jommeke in het openbaar aan een straf onderworpen. Al vlug blijkt dat dit slechts een onschuldig plaatselijk gebruik is. Eens weer vrij komt hij te weten dat de mensen op het eiland alles zo leuk mogelijk proberen te beleven. Maar er hangt een dreiging over de stad: de vloek van Sivlirpa. Jommeke vindt dat de oude burcht haar geheimen moet prijsgeven en trekt, samen met de intussen aangekomen Filiberke, op onderzoek. Flip is door de plaatselijke bevolking ontvoerd. In de oude burcht beleven ze enkele bange momenten en via een gang kunnen ze weer naar buiten. Tot hun grote verbazing staan ze opnieuw midden in het dorp, waar ze op gelach worden onthaald. De rare Kwibussen doen er alles aan om vreemdelingen een poets te bakken — zelfs de ontvoering van Flip maakte deel uit van de grap. En wie Sivlirpa in de spiegel leest, kent meteen het antwoord: Aprilvis.