Kwak en Boemel krijgen bezoek van Jommeke en Filiberke. Ze maken er een gezellig onderonsje van. Op hetzelfde moment, in een nabije grootstad, krijgt de landloper Jakobus Sorgeloos bezoek van notaris Poenaard. Jakobus erft een koffertje van een verre neef. In het koffertje zitten een heleboel postzegels, een gouden ring en een dagboek. In het dagboek vindt Jakobus een kaart waarop een plaats is aangeduid waar zijn overgrootvader een buit heeft verborgen. Wat later blijkt dat die buit begraven ligt in het hol van Kwak en Boemel. Jakobus probeert Kwak en Boemel uit hun hol te verdrijven om zo naar de buit te kunnen graven. Kwak en Boemel roepen de hulp in van Jommeke om ten strijde te trekken tegen de landloper. Jakobus slaagt er zelfs in om Jommeke en zijn vrienden tijdelijk uit te schakelen. Maar Jommeke en Filiberke kunnen ontsnappen en schakelen op hun beurt de landloper uit. Jakobus Sorgeloos biecht alles op. Kwak vertelt daarop dat hij en Boemel jaren geleden een koffer vol geld hebben gevonden — maar het geld was niet meer in omloop en dus waardeloos. Jakobus verlaat enigszins teleurgesteld Zonnedorp, maar wel in een cadeau gekregen huifkar.