In het holst van de nacht klinkt een vreugdekreet bij professor Gobelijn. Een nieuw experiment — waarmee kennis via een computer naar een levend wezen kan worden overgebracht — is klaar. Hij belt meteen Jommeke. Jommeke loopt echter pas de volgende ochtend bij de professor langs, en wat blijkt: Gobelijn is op zoek naar een proefkonijn om een toegangspoortje voor de computer in de hersenen in te bouwen. Jommeke bedankt feestelijk en raadt hem aan het bij een dier te proberen. Al snel wordt besloten om een varken te gebruiken. Bij Boer Snor vinden ze meteen het geschikte exemplaar. Alles blijkt perfect te werken. Wanneer de professor plots weg moet, ontfermt Jommeke zich over het varken. Het dier helpt Jommeke en Filiberke bij het oplossen van moeilijke vraagstukken. Al gauw komt bij de meester van de klas alles aan het licht.
Deze fantastische vondst van Gobelijn wordt wereldnieuws. In een Engelse school wordt beslist dat het niet kan dat zo’n dier superslim is. Het boze plan om het varken te ontvoeren neemt vaste vorm aan. De ontvoering door tuchtmeester Karwats verloopt bijna feilloos — enkel zijn verloren hoofddeksel vormt een duidelijk spoor naar Engeland. Jommeke grijpt in en kan, net voor de Engelse leraren het dier weer dom willen maken, met het varken ontsnappen. Boer Snor houdt aan dit hele avontuur een geweldige hulp voor zijn administratie over.