De Miekes zijn samen met hun ouders op reis in Egypte. Rozemieke vindt het allemaal nogal saai. Bert, de vader van de Miekes, probeert de sfeer wat op te vrolijken, maar verder dan een onschuldige toeriste laten schrikken komt hij niet. Wat later verliest Annemieke haar dagboek, al merkt ze dat pas wanneer ze weer thuis zijn. Met Jommeke en Filiberke erbij vliegt de hele bende met de vliegende ton terug richting Egypte. Onderweg komen ze langs de grote piramiden, de Nijl en vliegen verder tot in de woestijn van Aboekroko. Na enkele kleine avontuurtjes wordt het dagboek teruggevonden. Intussen heeft Filiberke een grafkelder ontdekt. Ze gaan met z’n allen op verkenning en na enkele gevaarlijke belevenissen vindt Filiberke een schat met heel wat gouden tranen. Helaas komen ze vast te zitten in de ondergrondse ruimte. Filiberke ontpopt zich als reddende engel en al snel staan ze weer in de open lucht. Alle problemen zijn echter nog niet opgelost en Jommeke trekt eropuit om hulp te zoeken. Hij bezwijkt bijna tijdens zijn poging, maar wordt tijdig opgemerkt door een Egyptenaar. Het blijkt een onderzoeker te zijn van oude beschavingen. Jommeke vertelt zijn verhaal en de man helpt hem en zijn vrienden. Een dag later blijken Jommeke en zijn vrienden hun huidskleur kwijt te zijn. Zelfs Flip moet eraan geloven. In allerijl keren ze met de vliegende ton terug naar Zonnedorp, waar professor Gobelijn hen gelukkig weer gezond kan maken. Ze zijn immers besmet geraakt met het papyrusvirus. Na hun genezing trekken ze terug naar Egypte en ontdekken dat de hulpvaardige onderzoeker helemaal niet zulke goede bedoelingen heeft met de historische vondst en de bijbehorende schat. Hij wordt snel ontmaskerd en opgepakt. De tempel wordt volledig uitgegraven en zo ontstaat Krokodilopolis. Jommeke en zijn vriendjes krijgen zelfs een gedenksteen als ontdekkers. Nog discussiërend over het dagboek van Annemieke vliegen ze weer richting Zonnedorp.