Jommeke en zijn vrienden, in gezelschap van Jan Haring, nemen een ijsberenduik. De oude kapitein vindt een fles met daarin een briefje. Na het lezen van het briefje is Jan Haring helemaal van streek. Hij herkent het handschrift van zijn vader. Lang geleden, op de IJslandvaart, is het vissersschip van vader Haring vergaan. Op het briefje zijn ook coördinaten bij een tekening genoteerd. Het betreft een locatie op de Bahama’s. Jan Haring wil meteen zijn oude vader, die zo’n honderdtwintig moet zijn, gaan zoeken en hem een waardige laatste rustplaats bezorgen. Met De Kuip wordt koers gezet naar het eilandje in de Atlantische Oceaan. Ondanks een sputterende motor van De Kuip, wegens benzinegebrek, wordt een eilandje bereikt. Eens aan land lijkt het alsof ze op een pirateneiland terechtgekomen zijn. Kapitein Rufus Rotsbaard zwaait er de plak. Zijn handlangster, Cornelia Kreukelkop, gedraagt zich behoorlijk bazig. Flip weet intussen een benzinepomp te vinden en voorzichtig wordt een poging gewaagd om daar voorraad voor De Kuip op te doen. Jammer genoeg wordt het groepje betrapt en bij kapitein Rotsbaard gebracht. De Miekes, die achterbleven op het strand, worden door Flip op de hoogte gebracht van de situatie. De brief van de vader van Jan Haring wordt door Rotsbaard bestudeerd. Hij haalt er een oud boek bij en het wordt duidelijk dat de briefschrijver het heeft over de bron van de jeugd. Jommeke en zijn vrienden worden opgesloten en de piraten vieren feest omdat ze nu weten waar de bron precies is gelegen. Intussen lukt het met de hulp van Choco om iedereen weer te bevrijden. Er wordt nog de nodige brandstof meegenomen naar De Kuip en de reis naar de exacte bestemming voortgezet. De piraten geven zich niet zomaar gewonnen en maken hun schip zeilklaar. De Kuip heeft zijn eindbestemming bereikt. Op het kleine eilandje blijkt heel wat varkentjes rond te lopen. Eén varkentje brengt hen bij een oude tempel. Daar wordt ook een fontein aangetroffen waar kapitein Rotsbaard gewag van maakte. Dan weerklinkt een vreemde stem. Een kranige oude man staat met een stok te zwaaien. Het blijkt niemand minder te zijn dan de vader van Jan Haring. Dankzij de goede eigenschappen en het met mate gebruik maken van het water van de fontein stelt hij het nog steeds goed. Dan duikt plots een angstig varkentje op. Filiberke ziet door zijn verrekijker een piratenschip naderen. Om de piraten te slim af te zijn, wordt met man en macht gewerkt om allerlei valstrikken te maken. Zo zouden de piraten, eens ze aan land komen, afgeweerd kunnen worden. Het blijkt allemaal te lukken en kapitein Rotsbaard wordt gevangen genomen. Zijn handlangster weet echter de vader van Jan Haring te gijzelen en dwingt Jommeke en de anderen zich over te geven. Ze worden allemaal gebonden tegen zuilen van de oude tempel. Maar Biggie, het varkentje van vader Haring, zorgt voor de bevrijding. Op het strand blijken nu plots een bende peuters te zitten. De piraten hebben zich allemaal overdadig te goed gedaan aan het water van de bron en zijn zo teruggekeerd naar hun jeugdige toestand. Ze worden allen meegenomen aan boord van De Kuip om overgeleverd te worden aan de politie van een naburig groter eiland. De vader van Jan Haring besluit om gewoon op zijn eilandje te blijven. Jan Haring belooft om zijn vader, samen met zijn broers, te komen bezoeken.